De zon schijnt weer. Terrassen lopen vol. Je jas kan open. Maar s’avonds staat er nog gewoon een pan stamppot op tafel. En ergens klopt dat niet meer.

We zitten in een rare tussenfase. Het is geen winter meer, maar ook nog geen lente. Je lichaam heeft maandenlang zware kost gekregen, stoof, kaas, aardappels, alles wat je vult en verwarmt. En nu ineens voelt dat te veel. 

Niet omdat het niet lekker is, maar omdat het niet meer past. 

Dat merk je aan kleine dingen. Een bord hutspot waar je halverwege klaar mee bent. Zin in iets fris, maar geen idee wat dan. De supermarkt die nog wintergroenten aanbiedt, terwijl het buiten 15 graden is. 

We zijn er simpelweg nog niet uit. 

Want eerlijk: niemand staat eind maart ineens te springen om een salade. Daar is het nog te vroeg voor. Maar nog wekenlang doorbeuken op zware winterkost? Dat voelt ook als tegen de stroom in koken. 

Dus wat eet je dan wel?

Dit is het moment van aanpassen. Niet rigoureus, maar subtiel. Winterproducten blijven, alleen anders gebruikt. Aardappels verdwijnen uit de stamppot en belanden in de oven. Wortel en prei blijven, maar worden lichter bereid: geroosterd, niet kapot gekookt. Zware jus maakt plaats voor iets zuurs of fris: een kneep citroen, een simpele dressing.

Het zijn kleine verschuivingen, maar ze smaken alles anders. 

In de keuken merk je dat als eerst. Je gaat automatisch anders koken. Minder lang, minder zwaar, minder “opvullen”. Meer smaak, minder massa. Alsof je langzaam uit de winterslaap komt. 

En dat is precies wat dit seizoen is: geen harde overgang, maar een glijdende schaal. 

Over een paar weken eten we weer asperges, lichte pasta’s en frisse kruiden. Dan voelt het logisch. Dan zijn we er klaar voor. 

Maar nu nog niet. Nu zitten we er tussenin. En dat proef je. 


Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *