Vastelaovend in Venlo (carnaval). De sfeer, tradities, het collectief loslaten. En ja, daar hoort muziek bij, veel muziek. Misschien wel té veel van dezelfde soort muziek. Want laten we eerlijk zijn: de typische carnavalskrakers, je kent ze wel, worden elk jaar weer gepresenteerd alsof ze hét geluid van de stad vertegenwoordigen.
En daar wringt iets
Want hoe kan het dat ales wat in het Venloos dialect wordt gezongen automatisch in het hokje ‘vasteloavend’ belandt? Alsof dialect per definitie gelijk staat aan polonaise. Alsof een andere toon, een ander tempo, een andere intentie simpelweg niet bestaat zodra iemand ‘ich’ in plaats van “ik” zingt.
Dat is niet alleen lui, het is ook zonde.
Vergelijk het een met andere plekken. Niet elk lied uit Texas is country. Niet elk Frans nummer is een chanson. Taal is een middel, geen genre. Toch lijkt Venlo daar anders mee om te gaan. Hier wordt dialectmuziek te vaak gereduceerd tot feestmuziek. Tot iets wat alleen bestaansrecht heeft in februari, tussen bier en confetti.
En daarmee gooien we een hoop weg. Want er is meer, veel meer.
Er zijn artiesten die het Venloos gebruiken om verhalen te vertellen die juist niet bedoeld zijn om op te springen. Muziek die schuurt, die ontroert, die blijft hangen omdat er iets echt in zit. Denk aan mensen als Leon Giesen en Arno Adams. Wat zij maken heeft weinig te maken met carnaval. Het is persoonlijker, gelaagder, en eerlijk gezegd: vaak gewoon beter.
Maar dat soort muziek krijgt zelden dezelfde aandacht. Het past niet in het dominante beeld van wat “Venlose muziek” zou moeten zijn. En dus verdwijnt het naar de achtergrond, terwijl de zoveelste feesthit wél door de straten galmt.
Dat zegt iets over smaak, maar vooral over gemak.
Wat carnavalsmuziek is makkelijk. Direct. Herkenbaar. Je hoeft er niet naar te luisteren, je ondergaat het. En daar is op zichzelf niets mis mee, laat dat duidelijk zijn. Vastelaovend heeft zijn eigen soundtrack nodig, en die mag best simpel en luid zijn.
Maar het probleem ontstaat wanneer dat de enige soundtrack wordt die we nog horen.
Wanneer alles wat buiten dat kader valt, simpelweg genegeerd wordt. Dan verlies je nuance, identiteit. Dan maak je van een levendige muziekcultuur een karikatuur
Misschien moeten we dus iets vaker stilstaan bij wat we eigenlijk willen horen. Niet alleen tijdens carnavals, maar juist daarbuiten. In cafés waar geen polonaise wordt gelopen. Op podia waar mensen echt iets proberen te zeggen. Of gewoon thuis, met een kop koffie, zonder feestgedruis.
Want Venlose muziek is er het hele jaar door. En eerlijk? Ze verdient beter dan alleen februari.


Geef een reactie