Vandaag is het Loodgietersdag. Het klinkt als een licht ironische feestdag, ergens tussen Secretaressedag en Nationale Pannenkoekendag. Een vriendelijk moment om even stil te staan bij een beroep dat meestal pas zichtbaar wordt wanneer er iets misgaat: een lekkende leiding, een koude douche, een cv-ketel die het midden in de winter begeeft.
De loodgieter verschijnt zelden in beleidsstukken, zelden in politieke toespraken, en nooit in discussies over de kenniseconomie. Toch staat hij of zij letterlijk aan de basis van het comfort van een modern land.
Het is een merkwaardig contrast. Nederland noemt zichzelf graag een hoogopgeleide samenleving. Dat klinkt indrukwekkend, maar het roept ook een ongemakkelijke vraag op: wat betekent “hoog” eigenlijk?
Al decennialang delen we opleidingen in volgens een verticale hiërarchie. Je kunt hoog, middelbaar of laag opgeleid zijn. Alsof kennis zich laat rangschikken op een ladder. Alsof denken hoger staat dan doen.
Die woorden doen meer dan enkel beschrijven, ze waarderen.
Volgens cijfers van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap bestond de Nederlandse bevolking tussen de 15 en 75 jaar in 2020 uit 34,8 procent hoogopgeleiden, 38,4 procent middelbaar opgeleiden en 26,8 procent laagopgeleiden. Een ogenschijnlijk neutrale indeling, maar de terminologie verraadt een impliciete rangorde. Wie “hoog” is, staat ergens boven. Wie “laag” is, is blijkbaar eronder.
Toch zegt zo’n indeling weinig over hoe een samenleving werkelijk functioneert. Een installateur die een complex verwarmingssysteem ontwerpt en aanlegt, lost dagelijks technische problemen op waar geen collegezaal aan te pas komt. Een timmerman leest constructies alsof het partituren zijn. Een verpleegkundige combineert medische kennis met ervaring en intuïtie. Het zijn vormen van vakmanschap die zich niet laten samenvatten in het woord “laag”.
Misschien zouden we het eerlijker kunnen zeggen: sommige mensen zijn theoretisch opgeleid, anderen praktisch. Twee verschillende routes, geen hoogteverschil.
Het probleem wordt zichtbaarder wanneer je kijkt naar de plek waar besluiten worden genomen. In de Tweede Kamer is volgens cijfers van het kennisinstituut Movisie ongeveer 80 procent universitair opgeleid, 12 procent hbo, 2 procent mbo, en 6 procent valt in de categorie ‘overig’.
Met andere woorden: de volksvertegenwoordiging lijkt nauwelijks op het volk.
Dat hoeft op zichzelf geen probleem te zijn, deskundigheid is geen slechte eigenschap in de politiek. Maar een democratie leeft ook van herkenning. Van het idee dat verschillende ervaringen en perspectieven daadwerkelijk aan tafel zitten wanneer beleid wordt gemaakt.
Wanneer vrijwel iedereen die wetten schrijft uit dezelfde onderwijslaag komt, ontstaat er onvermijdelijk een blinde vlek. Niet uit kwade wil, maar uit afstand.
Die afstand zie je terug in de kleine dingen. In beleidsnota’s waarin vakonderwijs vooral wordt besproken als doorstroomprobleem. In politieke taal waarin praktische beroepen worden geprezen, maar zelden echt vertegenwoordigd. En in een economie die tegelijkertijd kampt met een structureel tekort aan vakmensen.
Nederland heeft installateurs nodig voor de energietransitie. Elektriciens voor het stroomnet. Technici voor infrastructuur, zorg en industrie. De handen die het land draaiend houden, blijken ineens schaars.
En toch blijft de culturele reflectie bestaan: studeer vooral door, klim hoger, ga naar de universiteit. Alsof de samenleving één lange academische ladder is waar iedereen idealiter op moet staan.
Misschien is dat wel de stille ironie Loodgietersdag. Het is een dag waarop we even erkennen dat sommige vormen van kennis moeilijk te vervangen zijn. Dat een lekkende leiding niet wordt opgelost door een beleidsnotitie, maar door iemand die weet waar hij moet kijken en welke sleutel hij moet pakken.
Een samenleving draait niet op hoogteverschillen, maar op samenwerking tussen verschillende soorten kennis. Misschien zouden we vanwege die reden niet moeten spreken over hoog en laag opgeleid. Niet omdat die woorden onbeleefd zijn, maar omdat ze simpelweg niet kloppen.
Een land bouw je niet alleen met ideeën. Je bouwt het ook met handen.


Geef een reactie