Al zolang ik me kan herinneren, bezoek ik concerten. Soms met vrienden, soms met familie, soms alleen. Ik ga erheen voor muziek, maar ik blijf er komen vanwege iets anders: het gevoel dat je even buiten de orde mag bestaan. Een soort diepgeworteld verlangen naar vrijheid, al is het voor een avond. 

Een tijdje terug bezocht ik met een groepje vrienden een concert in een klein poppodium. Toen ik aan de bar een ronde wilde halen, bleek dat je alleen nog ‘cashloos’ kon betalen. Met lichte irritatie vroeg ik waarom er werd afgeweken van een legitiem betaalmiddel. Het antwoord van de barvrouw was routinematig en veelzeggend: “Dat is voor de veiligheid meneer.”

Ik lachte, betaalde met het pasje en dacht bij mezelf: “Natuurlijk is dit voor de veiligheid.”

Ik heb steeds vaker het gevoel dat Nederland een land is geworden waarin veiligheid geen randvoorwaarde meer is, maar een leidend principe. Alles moet voorspelbaar en risicoloos zijn. En belangrijker: we zijn veiligheid steeds meer gaan zien als iets wat afgedwongen moet worden, niet als iets wat gezamenlijk ontstaat. Voor elk mogelijk risico bestaat een beleidsnota, een richtlijn, of een nieuwe regel. Als dat niet werkt, knallen we er een spoedwet doorheen. Ik zie het dagelijks: fatbikes, rookvrije zones, taalgebruik, betaalmiddelen, niets ontsnapt aan de behoefte om te reguleren. 

Dat is geen toeval en ook geen complot. Het is het resultaat van een politieke cultuur die risico’s niet meer durft te benoemen als onderdeel van het leven. In plaats daarvan worden ze geproblematiseerd, gemanaged en dichtgetimmerd. Politiek wordt zo een eindeloze poging om het bestaan te verzekeren tegen zichzelf. 

Laat één ding duidelijk zijn: het is de taak van een overheid om voor een veilig land te zorgen, een land waarin we omkijken naar elkaar. Maar wat we lijken te vergeten is dat het om een spanningsveld gaat, geen morele rangorde. Waar veiligheid het absolute uitgangspunt wordt, verdwijnt er iets anders: verantwoordelijkheid, volwassenheid en de ruimte om te falen.

En misschien, héél misschien, verklaart dat ook waarom Nederland bestuurlijk al jaren vastzit. Als politiek vooral draait om het neutraliseren van risico’s, blijft er weinig over om werkelijk richting te geven. Elk besluit roept nieuwe uitzonderingen op, elke regel vraagt om handhaving, elke nuance om een amendement. Besturen wordt beheersen, en beheersen wordt verlammen. 

Het is dan ook geen vreemde gedachte om kritisch te kijken naar een aankomend minderheidskabinet dat opnieuw inzet op méér regels, méér toezicht, en méér veiligheid. Niet omdat veiligheid belangrijk is, maar omdat de vraag ontbreekt: wat leveren we daarvoor in?

Dat die risicomijdende houding zelfs doordringt tot concertzalen, ooit plekken van ontregeling, expressie en frictie, is veelzeggend. Zelfs daar wordt vrijheid vooraf ingekaderd, uit voorzorg beperkt en achteraf verantwoord. Niet uit kwade wil, maar uit angst voor wat mis kan gaan. 

En ja, dit thema komt vaker voorbij binnen dit platform. Terecht. Want het raakt aan een fundamentele vraag die ouder is dan dit kabinet, ouder dan deze tijd:

Veiligheid en vrijheid bestaan niet zonder elkaar, maar ze groeien zelden tegelijk. Het gaat er niet om of we voor vrijheid óf veiligheid kiezen, de vraag is hoeveel vrijheid we nog durven toe te slaan zonder meteen een noodrem te installeren. 


Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *